social follow

Kortverhalen en pogingen tot poëzie

De passer heeft gewoonlijk twee ongelijke benen en een klein kopje. Daarnaast is het ook een mensentype. Meestal heeft dit type een pasvinger op de plaats van de hand waar zich gewoonlijk de wijsvinger bevindt. De pasvinger en de wijsvinger verschillen eigenlijk niet van elkaar. Je kunt een wijsvinger dus net zo goed pasvinger noemen en omgekeerd.

Langzaam werd de geur van dennennaalden verdrongen door een geur die ik nooit meer zou vergeten en nog dagenlang op mijn huig zou blijven liggen. Ik verliet het wandelpad en liep een stukje verder het bos in.

Plotseling zag ik mijn maten in het kreupelhout. Heel even voelde ik mijn hart opleven. Ze waren een beest aan het roosteren! We hadden al drie dagen niets meer gegeten. Eigenlijk had ik blij moeten zijn, maar de braadlucht weerhield me daarvan onmiddellijk. En dat niet alleen.

  • Plotprobleem Plotproblem

Ik zat vast in een plotprobleem door twee losse eindjes.

 

  • Loebas Sint Bernard

Loebas had twee lodderige ogen. Op het onderste randje van zijn oogleden kon je  regelmatig een streepje bloed zien en in zijn ooghoeken kleefde er steeds wel iets vies. Hij kwijlde altijd. Het is een ziekte, zeiden ze. Ik vond het eng.

Hij blafte niet veel, maar als hij dat deed, klonk het wel intimiderend. ‘Dat is omdat hij vrolijk is’, zei mijn broer. Ik geloofde niet echt dat zo'n beest vrolijk of blij kon zijn.

Hij was gigantisch. Vooral vanuit het perspectief van een kleuter. Hij is braaf, zeiden mijn grootouders. Maar toch was ik bang voor hem.

(De Han-dynastie, China, 206 tot 220 na Christus) 

 

Han hield van honden, katten en pauwen. Toen hij keizer werd kondigde hij de leer van Confucius aan. Vanaf toen was het verboden om nog hond, kat of pauw te doden of te eten.

Probeert hij me te mijden? Het zal hem hier niet lukken. Ik kan best aardig brutaal zijn als het moet. Ik staar net zo lang als nodig is.

 

Eindelijk.

Tot mijn verrassing zie ik twee ijsblauwe ogen terug staren. Dan snap ik het. Ik zag eerst wat ik verwachtte te zien. Vroeger waren ze groen. Maar dat was toen.

 

Een datavloed golft door me heen.

Herinneringen van wat was en niet was, vreugde, verdriet, schoonheid.

Ik wankel eerst en sluit mijn oogleden.

Als ik terug kijk zijn ze grijs geworden.

 

Ik ben aan het afkicken. Niet geheel cold turkey. Ik geef toe dat ik al een paar keer vals heb gespeeld. Drie keer maar. Met het mobieltje van de jongste dochter. Om eens te zien wat er op het Feestboek leeft. Ik heb iets gemist, maar weet niet juist wat. Maar zo gaat het altijd in de virtuele wereld waar dromen en verlangens als echte appels worden voorgesteld, tot je er in probeert te bijten.

 

Ik weet niet meer hoe lang ik hier al zit.

Het is een wonder dat ik nog niet gestorven ben.

Ik leef van de waterdruppels en de zilvervisjes die uit de stenen komen. Als ik moe ben, leg ik mijn gezicht dicht tegen de muur. Dan hoef ik niet veel moeite doen om wat naar binnen te krijgen.

Het pompierke

 

Ik heb ooit eens een man gekend die zijn eigen uitvaart wilde vieren. “Het zal veel leuker zijn voor iedereen als ik er zelf ook bij ben,” zei hij.

Zo nu en dan waait de wind van voren,

Dondert Het Geweten uit haar toren,

Om te trekken aan uw oren.

 

De kwelebabbe kan er niets aan doen.

Tot spijt van wie het benijdt,

ze moest iets kwijt over haar visie op de nieuwe, goede gierigheid.

Gelukkig draait het niet allemaal om poen.

 

Haar leven kent maar weinig glans,

Ze weet al dat ze het gaat verliezen,

Maar ze wil niet langer blijven kniezen.

Het is misschien haar laatste kans.

 

Hoe kan ik de mensen nog raken? Wat kan ik ervan maken?